Albums


Stamboom:  

Treffers 1 t/m 26 van 26

   

 #   Klikplaatje   Beschrijving   # items   Verbonden met 
1
<b>01. Feest in Spakenburg</b>
01. Feest in Spakenburg
Bijgevoegd zijn een paar foto's die afkomstig zijn van een kennelijke familiefeestje in Spakenburg van de familie van Harke Schuil en Jenneken Koldenhove. Wie kent n, meerdere of misschien wel alle personen die afgebeeld zijn? De foto's zijn afkomstig van een filmpje dat tijdens het feest is gemaakt. 
17   
2
Adolph (1880) en Jacoba (1920) van Oven; Eerste verzetskrant.
Adolph (1880) en Jacoba (1920) van Oven; Eerste verzetskrant.
Nadat zijn dochter Cootje (1920) vergeefs had geprobeerd op 6 juni met een roeibootje naar Engeland te gaan, besloten ze een verzetskrantje te maken. De Vrije Nederlander verscheen op 15 juli 1940. Vijf copien werden getypt en verspreid met het verzoek het te vermenigvuldigen en te verspreiden. Ze maakten ook in augustus en september een nummer, maar het nummer van oktober werd hun laatste nummer. Zij sloten zich aan bij Vrij Nederland, waarvan het eerste nummer op 31 augustus, koninginnedag, was verschenen. Op 15 maart 1941, kort na de februaristaking, werden Dof, Cootje en een nichtje door twee NSB-ers gearresteerd en naar het Oranjehotel gebracht. Het nichtje werd na acht weken vrijgelaten. Dof en Cootje moesten in januari 1942 voor de rechtbank verschijnen en werden veroordeeld, Cootje tot 5 jaar (waardoor ze de oorlog overleefde), zij werd naar een vrouwengevangenis in Keulen gebracht. Dof kreeg 3 jaar en werd na het uitzitten van zijn straf overgebracht naar Zschen, een bijkamp van Buchenwald, en is daar overleden. 
 
3 Begraafplaats Berlin-Hermsdorf II
 
29   
4
De moord op Jan Nijboer
De moord op Jan Nijboer
In 2004 werd Jan Nijboer (1944) slachtoffer van een overval in zijn woning. Hij werd daarbij om het leven gebracht. Hij woonde toen aan de Woldweg in Groningen. Voor het misdrijf zijn drie personen aangehouden en veroordeeld. In de bijgevoegde kranten- en andere media berichten staat n en ander omschreven. Ook zijn de artikelen over de rechtzaak bijgevoegd. 
25   
5
De moord op Jurjen Geert Pinkster
De moord op Jurjen Geert Pinkster
Jurjen Geert Pinkster was makelaar van beroep. Zijn broer, Egbert Pinkster, zat in de 2e Wereld Oorlog, vermoedelijk in het verzet. Egbert was zo nu en dan bij zijn broer ondergedoken. Op 1 april 1945 verscheen de SD met twee Nederlandse verraders s morgens om 5 uur bij zijn woning. Toen hij nadat aangebeld was de deur open deed, werd hem gevraagd: Sinds ie Herr Pinkster?. Nadat hij dit bevestigd had, kreeg hij de opdracht: Gehen sie mit! Vervolgens werd hij op ongeveer 500 meter van zijn woning doodgeschoten.

Voor deze moord, twee andere moorden, twee brandstichtingen en het feit dat hij op 4 andere personen had geschoten, werd de Nederlandse SD-er Harry Bouman veroordeeld. Hij bekende alle hem ten laste gelegde feiten en heeft tijdens de vooronderzoeken geholpen zaken op te helderen. De eis ter terechtzitting was de doodstraf, het vonnis levenslang. In 1959 is hij vervolgens in vrijheid gesteld. 
 
6 De vader van Jelle Snip
Bij de aangifte van van de geboorte van Jelle (* 01-01-1930) de zoon van Grietje Wygers Snip is ene Geeske Jans van Zannen (Zanten) de aangeefster. Deze Geeske Jans is de moeder van Jan Pieters Snip. Hij is gehuwd met Willemke Wygers Snip een oudere zus van Grietje. Een vader van Jelle wordt in de aangifte niet genoemd.
Waarom Geeske hier de aangifte doet van de geboorte van Jelle, de zoon van de zus van haar schoondochter, is in eerste instantie een raadsel. Jan Pieters heeft echter ook een jongere broer die Jelle Pieters heet en is deze ongeveer even oud als Grietje. Is deze Jelle Pieters de verwekker van Jelle en is daarom Geeske Jans van Zanten de aangeefster van deze geboorte? Maar waarom is het dan niet tot een huwelijk gekomen? Twee broers zouden dan zijn getrouwd met twee zussen en daar kan niets op tegen zijn. De waarheid moet een andere zijn en het blijft in eerste instantie nog onduidelijk naar wie Jelle vernoemd is.
De oplossing van deze vernoeming lijkt met enige zekerheid van zaken te liggen in een onderzoek naar de bevolking van Doezum in 1830, het jaar waar Jelle geboren is.
In het gebied, dat in 1830 de Snipperij wordt genoemd, blijken op de huisnummers 84, 86, 87 en 87a Snippen te wonen. Op huisnummer 88 woont de heer Jelle Ebels Neinhuis, oud 38 jaar, landbouwer van beroep, geboren te Noordwijk, samen met zijn vrouw Gepke Hessels, oud 52 jaar, geboren te Buitenpost. Inwonend hier zijn Grietje Wygers Snip, oud 22 jaar, dienstmeid van beroep, geboren te Doezum en ene Gepke, oud 15 jaar, ook geboren te Doezum.
Nu wordt het mij (Andries de Leeuw) duidelijk naar wie Grietjes zoon Jelle vernoemd is. Dit moet deze Jelle Ebels Neinhuis (Nienhuis) zijn geweest. Zij heeft haar kind naar hem vernoemd, maar is is hij ook de verwekker?
Tevens is het logisch waarom de schoonmoeder van Grietjes zus Willemke de aangeefster is geweest van de geboorte van Jelle. Deze, Geeske Jans van Zanten, woonde namelijk op huisnummer 84 en het was in die jaren een goede gewoonte dat de buren, maar in dit geval zelfs ook nog familie, het kind aangaven bij de Burgerlijke Stand.
Een bijkomend probleem is te ontdekken wie de 15 jaar oude inwonende Gepke binnen het gezin van Jelle Ebels Neinhuis was. Deze Gepke moet geboren zijn in of omstreeks 1815 en zij zou een jongere zus van Grietje Wygers kunnen zijn. Grietje had al een zus Gepke (* 21-01-1812 in Doezum) doch deze is op 10-04-1813 in Doezum overleden. Maar Grietjes vader Wyger Popkes Snip overlijdt al op 02-11-1812 in Doezum. Een Gepke geboren in 1815 kan dus nooit een dochter zijn geweest van Wyger Popkes Snip, maar van wie dan wel?
En dan sluit het net, immers in 1830 woonden op huisnummer 88 Jelle Ebels Neinhuis, Gepke Hessels, Grietje Wygers Snip en deze Gepke. De hier genoemde Gepke Hessels moet de Gepke Hessels de Haan zijn die getrouwd was met Wyger Popkes Snip!
En dit betekent dat na het overlijden van Grietjes vader in 1812, Grietje was toen 6 jaar oud, haar moeder Gepke Hessels de Haan, onder het meenemen van haar kinderen, waaronder Grietje, is ingetrokken bij Jelle Ebels Nienhuis. Dochter Gebke (17-05-1814) zou echter volgens de geboorte aangifte (ook door Geeskes Jans!) niet uit de relatie relatie met Jelle Ebels geboren zijn, (in onecht) hoewel moeder Gebke dan al wel op huisnummer 88 woont. Jelle Ebels Neinhuis (Nijenhuis) en moeder Gepke Hessels (de Haan) trouwen een jaar later, op 18-06-1815. Dochter Gepke wordt dan niet erkent en heet, net als haar moeder, Gepke Hessels, later met de achternaam de Haan er aan toegevoegd. (geen Nienhuis)
Volgens Andries de Leeuw, die deze kluwen heeft ontrafeld, is Grietjes stiefvader, Jelle Ebels Nienhuis, de verwekker van Jelle Snip. Hij is daarvan overtuigd. Dat zou logisch zijn als Grietje geen dochter was van Gepke Hessels of zelfs als hij aangifte had gedaan. Daarom is het volgens mij (Paul Snip) aannemelijker dat Jelle uit respect naar haar stiefvader is vernoemd. In dat geval blijft de biologische vader van Jelle dus onbekend net als als de vader van zijn tante Gepke Hessels de Haan. 
 
7 Een fragment over de familienaam Tromp van Hollum


Jan Sietjes Tromp werd op 20 augustus 1786 geboren op Ameland en trouwde op 24 oktober 1810 met Sjoeke Gooytzens Visscher. Zij kregen 11 kinderen, te weten:
Saakje (26 december 1810)
Jan (12 december 1811)
Saakje (23 november 1813)
Siebrig (15 oktober 1815)
Sietje (13 september 1817)
Tjerk (26 augustus 1819)
Gooy (23 oktober 1821)
Trijntje (11 november 1823)
Botte (3 december 1824)
Antje (30 oktober 1827)
Jacob (7 februari 1829)

gooi SIETJE JANS TROMP

Sietje Jans Tromp trouwde op 8 september 1839 met Johanna Tremper geboren op 22 december 1813 te Nes. Dit echtpaar kreeg vier kinderen:
Jan (9 november 1839)
Geeske (27 juni 1841)
Tjerk (19 maart 1843)
Johannes (30 november 1844)

Nadat Johanna Tremper op 14 oktober 1846 op 32-jarige leeftijd was overleden, trouwde Sietje op 13 november 1855 in Sappemeer met Grietje Plukker, geboren op 25 september 1833. Grietje was de dochter van scheepsbouwer Jan Hindriks Plukker, scheepsbouwer te Kleinemeer een gehucht deel uitmakende van Sappemeer.

Sietje Jans Tromp en Grietje Plukker kregen samen twee kinderen;
Gooi (4 oktober 1856)
Freerk (30 april 1858)
In 1857 liet Sietje Jans Tromp op de werf van zijn schoonvader Jan Hendriks Plukker een koftjalk bouwen. Overigens werd de werf op dat moment gerund door de weduwe, Freerkje Hendriks Germs, van Jan Hendriks Plukker die op 29 september 1851 in Kleinemeer was overleden. De tjalk werd op 11 november 1857 te water gelaten en kreeg de naam "Grietje van Kleinemeer". Op 5 maart 1858 werd de eerste zeebrief verstrekt voor de "Grietje van Kleinemeer". Eind september 1858 vertrok het schip van Kiel naar Amsterdam. Nadat het op 28 september 1858 Tnning/Tonningen was gepasseerd is niets meer van het schip vernomen. "Grietje van Kleinemeer" is in de stormnacht van 2 op 3 oktober 1858 vergaan toen zij net ten noorden van Ameland voer, waarbij de kapitein Sietje Jans Tromp, de kapiteinse Grietje Tromp-Plukker, de bijna 19-jarige Jan, de bijna 14-jaar oude Johannes, de bijna 2 jarige Gooi en de ongeveer 6 maanden oude Freerk zijn verdronken.

krantenbericht Grietje van Kleinemeer

Geeske en Tjerk Tromp waren tijdens deze tocht niet aan boord, maar verbleven bij hun grootouders Jan Sietjes en Sjoeke Gooytzes. Geeske is op Ameland overleden en woonde tot het laatste moment aan de Burenlaan in Hollum.

BOTTE JANS TROMP

pijpekopje


Botte Jans Tromp is geboren in 1824. In 1845 was deze Botte Jans blijkbaar een van de vaste opstappers op de reddingsboot op Ameland en ging hij waarschijnlijk best vaak bij storm de zee op om bemanningsleden te redden en vracht in veiligheid brengen. Hij was betrokken bij de redding van de bemanning van een schip en kreeg daarvoor een porseleinen zeemanspijpje. Dit porseleinen pijpje is nog in het bezit van n van de nazaten van de familie. Vier jaar voor zijn huwelijk voer Botte Jans Tromp, als 21-jarige, in een reddingsbootje de zee op om deel te nemen aan een reddingsactie.

Het verhaal achter de bijzondere pijpenkop:

krantenbericht stranding Toninha

Botte Jans Tromp trouwde op 13 juni 1849 met Sjoukjen Tjipkes de Ruyter die op 31 augustus 1823 in Hollum geboren werd. Zij kregen drie kinderen:
Gooi (4 december 1850)
Binke (20 oktober 1853)
Jan (13 september 1855)

Ook Botte Jans Tromp voer met een tjalk. Deze was genaamd "Tromp en De Ruiter, de achternamen van Botte en die van zijn vrouw. De scheepsbouwer van dit schip zou Roelf Feddes Berg uit Sappemeer zijn, die het schip in 1853 opleverde, waarna het de binnenvaart in ging (https://www.marhisdata.nl/schip?id=14995). In oktober 1856 werd het schip door de consul in Hamburg opgegeven als verongelukt in Cuxhaven. De Tjalk werd gelicht om in juli 1857 opnieuw in de zeevaart te gaan. De tjalk moet op de uitgaande reis in de haven van Cuxhaven zijn gezonken. Zeer waarschijnlijk is het schip gelicht en na provisorische reparaties in het voorjaar van 1857 voor definitief herstel naar Harlingen gezeild.
Op 11 mei 1857 werd bij de werf van Freerkje Hendriks Germs uit Kleinemeer een tjalk afgeleverd (https://www.marhisdata.nl/schip?id=15271). In dezelfde nacht dat zijn broer Sietje met vrouw en kinderen verdronk, verging ook het schip van Botte Jans Tromp. De bemanning werd gered en in Hamburg aan land gebracht.

krantenbericht Tromp en De Ruyter

De Tromp en De Ruyter was onverzekerd geweest, waardoor kapitein Botte Jans Tromp platzak en zonder inkomen was geworden. Hij slaagde erin op voorspraak van B & W van Ameland van de Friese Commissaris van de Koning toestemming te krijgen om binnen het Arrondissement Leeuwarden een collecte te laten houden. Hierin werd kennelijk voldoende bijeengebracht om een deel van de tuigage te kunnen betalen voor een nieuwe kof die verder 100% werd gefinancierd (https://www.marhisdata.nl/schip?id=15538). Deze Tromp en De Ruyter kwam in juli 1859 in de vaart, afkomstig van de werf van Jurrien Jans van der Werff uit Sappemeer. Lang heeft Botte Jans Tromp niet van dit schip mogen genieten, want hij werd op 16 november 1860, samen met zijn stuurman Douwe van Heeckeren, levenloos aangetroffen op het strand nabij Hollum. Zijn vrouw was een aantal jaren daarvoor, op 26 juni 1857 overleden op Ameland.

VERZOEK OM TOESTEMMING COLLECTE
Ameland, den 29 oktober 1858

No. 137 B.W.
Onderwerp: Collecte.

Aan den Heer Commissaris der Koningh in Friesland

Ter voldoening aan U H.Edgestrenge, aportillaire dispositie van den 22 dezer, 3: Afd: No. 2411, waarbij ons, ten fine van berigt, consideratien, advies, is geworden, een door Botte Jans Tromp, Schipper te Hollum in dezer Gemeente, aan Heeren Gedeputeerde Staten der provincie gepresenteerd adres, houdende om daarbij aangevoerde redenen het verzoek, om de vergunning om ene Collecte ten zinjnen behoeve in deze provincie te mogen doen, hebben wij de eer met terugzending van het advies, U H.Ed. gestrenge te berigen: Dat den adressant op zijne reis van de Oostzee naar Antwerpen (opm: Amsterdam), in den nacht van den 2de op 3de dezer maand, met het door hem gevoerde en hem merendeels in eigendom behoorende tjalkschip, na in den namiddags van eerstgenoemden dag te vergeefsch te hebben beproefd alhier binnen te loopen, door een hevigen storm is overvallen, waarbij het schip door een stortzee vol water geslagen en gezonken is en hij met zijn Scheepsvolk met achterlating (opm: van alle bezittingen) van uit de Scheepsboot in volle Zee is gered door kapitein J. Zoeten, varend een Hannoversche Schoener, dewelke hem te Hamburg heeft aangebracht.
Dat den adressant door dezen ramp een nadeel van p.m. 4.000,- heeft geleden en van alles is beroofd geworden, terwijl deszelfs schip voor deze reis, uithoofde van de geringe verdiensten, niet was verzekerd. Dat, vermits den adressant is een oppassend persoon, van een goed zedelijk en onberispelijk levensgedrag, waarvoor hij dan ook in de gelegenheid is weder op Crediet een nieuw Scheepshol te kunnen bekomen, waarin hij in staat is zelven de tuigagie te kunnen lenen, waarvoor hem echter thans alle middelen ontbreken ---
wij van advies zijn, dat het verzoek zal behooren te worden toegestaan, als de overtuiging hebbende dat de adresssant die gunst waardig is, om uit de opbrengst, althans gedeeltelijk, de tuigagie te kunnen aankoopen benodigd voor het hem op Crediet aangeboden in aanbouw zijnde Scheepshol van 50 Lasten ---
om langs die weg in staat te geraken om het brood voor zich, zijn kinderen, bejaarde ouders, die doordien des adressants broeder, in denzelfden nacht met een voor rekening hunner ouders bevaren, eveneens niet verzekerd, schip is verongelukt, mede alles verloren hebben, te kunnen verdienen.

Burgemeester en Wethouders van Ameland
getekend
Van Heeckeren, burgem.
J.L. Wagenaar, Weth.


DE REACTIE OP HET VERZOEK

Uit het archief van het Provinciaal Bestuur van Friesland, 1814 1819.
Resolutie boek van het College van Gedeputeerde Staten, november 1858.

1 November 1858, no: 32.

Zijn gelezen:
1: Een aan deze Vergadering gericht adres van Botte Jans Tromp, wonende te Hollum op Ameland, dd. 19 (opm: 29) oktober 1858, daarbij te kennen gevende, dat hij op zijne reis uit de Oostzee naar Antwerpen (opm: Amsterdam) in den nacht van den 2 op den 3 oktober ll. met het door hem gevoerd en hem merendeels in eigendom behoorend tjalkschip, genaamd TROMP EN DE RUITER, door enen hevigen storm is overvallen waarbij door eene stortzee de luiken zijn ingeslagen en het schip vol water is geraakt en gezonken;
- dat hij met zijn volk, zonder zich te hebben kunnen redden, door kapitein Johann Scker, voerende het Hannoversch Schoonerschip RIXTINA ELIZA, van uit de scheepsboot in volle zee is opgenomen en te Hamburg aangebracht,
- dat hij door dezen ramp al wat hij bezat heeft verloren en daar het schip voor deze reis wegens de geringe verdiensten niet verzekerd was, ene schade heeft geleden van circa 4.000,=;
- dat hem een in aanbouw zijnd scheepshol van 50 lasten op crediet is aangeboden, wanneer hij slechts in staat is om zelve tuigage te leveren, waartoe hem echter thans de middelen ten eenenmale ontbreken;
- verzoekende hij uit dien hoofde, om in het bezit te geraken van een gedeelte althans der daartoe benodigde gelden, dat hem moge worden toegestaan eene collecte in deze provincie te doen, ten einde hij in staat worde gesteld, het brood voor zich en zijne drie kinderen weder te kunnen verdienen.

2: Het daaromtrent ingewonnen bericht enz. van Burgemeester en Wethouders van Ameland, dd. 29 oktober 1858, no. 137 B.W., waaruit blijkt, dat het ten adresse aangevoerde met de waarheid overeenkomstig is en de adressant bekend staat als een zeer oppassend persoon van een goed zedelijk en onberispelijk levensgedrag;

Waarbij gelet zijnde op de bepalingen van het Koninklijk besluit van den 22 september 1825 (Staatsblad, no. 41), nopens het doen van collecten in de kerken of aan de huizen, is, na overweging, besloten:
1: Aan den adressant Botte Jans Tromp voornoemd te vergunnen, zoo als geschiedt bij deze, het doen eener collecte aan de huizen der ingezeten binnen de gemeenten van het arrondissement Leeuwarden, en:
a. Dat hij zich vooraf zal behooren aan te melden bij de hoofden van de besturen der respective gemeenten;
b. Dat de vergunning tot het doen van collecte wordt toegestaan voor zoodanigen tijd in elk der gemeenten, als door hare besturen, naar plaatselijke omstandigheden, zal worden bepaald;
c. Dat de ingezamelde penningen in elke gemeente, dadelijk na afloop van de collecte, welke zal behooren te geschieden met eene gesloten bus, in tegenwoordigheid van eenen policie-bediende, of een ander persoon, door de gemeente-besturen respectivelijk daartoe aan te wijzen, zullen moeten ter hand gesteld aan het gemeente-bestuur, hetwelk zal zorgen, dat het bedrag daarvan, na aftrek der onvermijdelijke kosten, op de meest spoedige en geschikte wijze, wordt over gemaakt aan het gemeente-bestuur van Ameland, binnen welke gemeente de adressant woonachtig is, welk bestuur de nodige maatregelen zal nemen, dat de ten behoeve en voordeele van adressant ingezamelde penningen, daaronder ook die uit de gemeente Ameland begrepen, tot geen ander einde worden gebezigd of aangewend, dan om hem door de aanschaffing van de benodigde tuigage voor het hem op crediet aangeboden in aanbouw zijnd scheepshol in staat te stellen, weder voor zich en zijne kinderen het brood te kunnen verdienen, en welk bestuur tevens, na afloop van een en ander, aan deze Vergadering zal verslag doen, zoo van het bedrag, dat ten behoeve en voordele van adressant uit elke gemeente, zijne eigene daarvan niet uitgezonderd, is ontvangen, als van de wijze waarop die penningen ten nutte van adressant zijn besteed.

2: Den adressant tevens bij deze indachtig te maken op het groote nadeel, dat hij zich door het verzuimen der verzekering van zijn schip heeft berokkend, met aanbeveling om voor het vervolg van een nieuw vaartuig, ter voorkoming van schade, telken reize voor de verzekering van hetzelve in eene soliede maatschappij te zorgen, vermits bij herhaling van eene zeeramp als de onderwerpelijke, niet andermaal gelijke vergunning aan hem zal kunnen worden afgegeven.
En zal afschrift van dit besluit aan den adressant B.J. Tromp meer genoemd worden uitgegeven, tot autorisatie en informatie, en voorts gelijk afschrift aan het Gemeentebestuur van Ameland, en extract daar van, wat het 1ste lid aangaat, aan de besturen der gemeenten, Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, De Bildt, Ferwerdadeel, Westdongeradeel en Nieuwkruisland, Dantumadeel, Schiermonnikoog, Tietjerksteradeel, Achtkarspelen, Idaarderadeel, Rauwerderham, Baarderadeel, Harlingen, Franeker, Franekeradeel en Barradeel, gezamenlijk uitmakende het Arrondissement Leeuwarden, worden gezonden, tot informatie en uitvoering, voor zoo veel elk betreft.


Die oude Jan Sietjes en zijn vrouw Sjoeke hebben mogelijk de twee oudere kinderen Geeske en Tjerk van Sietje Jans opgevangen vanaf 1858, terwijl het zelfs mogelijk is dat zij al direct na overlijden in 1857 van de vrouw van Botte hn drie kleine kinderen opvingen. Er zijn geen gegevens gevonden over voogdij over de kleintjes van Botte Jans. Mogelijk dat de familie zich ontfermde over alle weeskinderen.

Bronnen:
L. de Nijs-Tromp
Stichting Maritiem Historische Data (www.marishdata.nl)
www.delpher.nl 

 
8 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
9 Familie Harm Schuil
Harm Schuil (1901) Harm Schuil werd geboren en groeide op in Enumatil. Hier is hij van ongeveer van 13 tot 18 jaar werkzaam geweest, waarbij hij onder andere werkzaam is geweest als snikkejongen.
Vervolgens op ongeveer 18 jaar vertrokken naar Groningen als leerling vleeschhouwer. Hij was hier bij in de leer bij slagerij Gal, gevestigd in de Steentilstraat te Groningen, gerekend vanaf het Gedempte Zuiderdiep nagenoeg rechts achterin. Hier heeft nadien nog de schapen-slachter Van Dijk zijn vestiging gehad. Zijn werkzaamheden bestonden toen onder andere uit het met de hondenkar rondbrengen van vlees naar onder andere Zuidwolde en Noordwolde.
In 1926 is hij vervolgens getrouwd mer Marijke Noordhof (1902). Zij kochten een huis in Zeerijp, aan de Borgweg. Harm begon hier een slagerij. In 1930 werd hier hun zoon Hendrik Schuil geboren.

Achteromweg 18 te Spijk

Omdat de verdiensten van de slagerij in Zeerijp tegen vielen, vertrok Harm Schuil met zijn gezin in ongeveer 1933 naar Spijk, naar het pand dat inmiddels (2016) bekend is als Achteromweg 18. Op de zwart/wit foto staat dit op het raam te lezen. Voor de etalage van de slagerij staat op de zwart/wit foto overigens Hendrik Schuil op zijn step. Op dit adres werden Anktje Schuil (1933) en Duurt Schuil (1935)geboren. De ruimte achter het dubbele raam is de kamer waard Duurt werd geboren. Het gezin woonde hier van ca. 1933 tot ca. 1938. Omdat er vier slagerijen in het dorp waren heeft hij hier in ongeveer 1938 zijn werkzaamheden als slager definitief beindigd. Op de tweede kleurenfoto van het pand is te zien dat de etalage inmiddels is vervangen door een dubbelraam en dat er een stenen vensterbank onder alle benedenramen is aangebracht.

Nesweg 1 te Spijk

Het gezin verhuisde in ongeveer 1938 naar het adres Nesweg 1 te Spijk, waar Harm Schuil concierge werd in een verenigingsgebouw van de gereformeerde kerk. Daarnaast had hij een portefeuille als verzekeringsagent, omdat zijn werk als concierge geen volledige dagtaak was. Na drie jaar kreeg hij ook de werkzaamheden als koster van de gereformeerde kerk. Zijn andere taken, concierge en verzekeringsagent, behield hij. In 1943 is hij vervolgens ondergedoken bij de familie van Wijk in Godlinze, omdat hij een oproep had gekregen om in Duitsland te gaan werken. Hij is hier gebleven tot het einde van de oorlog. Het verenigingsgebouw waar hij concierge was, werd in 1943 door de duitsers gevorderd en omgebouwd tot een gevangenis voor gevangenen die werkzaamheden moesten verrichten voor de TOD. Deze werkzaamheden bestonden uit het graven van tankwallen/grachten en loopgraven. Na de oorlog werd dit gebouw gebruikt als gevangenis voor de gevangen genomen NSB-ers. Harm Schuil werd na de oorlog lid van de Nederlandse Veiligheidsdienst en deed toen dienst als bewaker in dezelfde gevangenis. In juni 1945 vloog in de buurt een munitiedepot de lucht in waarbij een zevental mannen, die daar aanwezig waren, om het leven kwamen. Ter nagedachtenis werd een gedenkteken opgericht. Het verenigingsgebouw deed tot ongeveer juni 1946 dienst als gevangenis voor de NSB-ers en werd daarna weer omgebouwd tot verenigingsgebouw, waarna Harm Schuil Tot eind 1948 weer koster en concierge was. Eind 1948 nam hij ontslag en verhuisde hij met zijn gezin naar t Loug (andere benaming voor centrum) te Spijk.

t Loug 21 te Spijk

Hij werd vervolgens lekencontroleur van het FOV (Federatie Ongevallen Verzekering) voor land en tuinbouw, een soort ziekte-controleur. Dit was een deeltaak. Daarnaast was hij controleur van het pensioenfonds voor land- en tuinbouw, waarbij hij de boeren controleerde op (juist) ingevulde loonstaten (afdracht premies).
Op het moment dat het gezin Schuil aan t Loug 21 ging wonen, was dit nog een boerderij. Toen hij hier ongeveer 2 jaar had gewoond werd het huis verkocht en tegelijkertijd werd Harm Schuil voor zijn werk overgeplaatst naar de regio Hoogkerk. In Hoogkerk was echter geen woonruimte. Het gezin verhuisde naar de Ubbenasingel 33 te Spijk, terwijl Harm Schuil kantoorruimte kreeg aan de Kerkstraat in Hoogkerk. Ubbenasingel 33 te Spijk

In 1951 vertrok het gezin naar de Reitdiepstraat 7 te Winsum. Op zijn 61e jaar kreeg hij zijn eerste hartaanval. In totaal kreeg hij 3 hartaanvallen, waarna hij in 1964 werd afgekeurd. In ongeveer 1970 vertrokken zij naar W. Ripperdastraat 12 te Winsum. Hobbys van Harm Schuil waren: vissen en kruiswoordraadsels. Daarnaast was hij erelid van Viboa.  
 
10 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
11 Gerrit Moltmaker (1856)
Op, laten we zeggen, wat latere leeftijd heeft deze Gerrit Moltmaker, zoon van Wieger Gerrits Moltmaker en Sjoukje Harmens Riemersma, een zwervend bestaand geleid. Dat dit niet algemeen gewaardeerd werd, mag blijken uit de drie veroordelingen die van hem zijn gevonden (bron: allefriezen.nl).
Zo werd hij met de vermelding 59 jaar, losse arbeider, zwervende, gedetineerd, op 29 september 1915 wegens landloperij voor de rechter gedaagd en bij vonnis van 6 oktober 1915 veroordeeld tot 5 dagen hechtenis en 1 jaar en 6 maanden rijkswerkinrichting.





In 1917, inmiddels 61 jaar, staat achter zijn naam vermeld dat hij los werkman is, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en op dat moment is gedetineerd in het Huis van Bewaring te Leeuwarden. Ook nu moet hij voor de rechter verschijnen wegens landloperij en wordt hij, na de rechtszaak op 31 oktober 1917, bij uitspraak op 7 november 1917 veroordeeld tot 5 dagen hechtenis en 3 jaar rijkswerkinrichting.





Als 64-jarige moet hij, op 9 februari 1921, opnieuw terechtstaan. Ook nu staan de vermeldingen los arbeider, zwervende, gedetineerd bij zijn naam. De verdenking is ook dit maal landloperij en bij de uitspraak op dezelfde dag wordt hij veroordeeld tot 2 dagen hechtenis en 2 jaar en 3 maanden rijkswerkinrichting.





Waar en wanneer Gerrit Moltmaker, geboren op 16 januari 1856 te Burum is overleden, is door mij nog niet vastgesteld. 
 
12 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
13 Hendrik Tromp en Grietje Kat
Hendrik Tromp en Grietje Kat bestierden (in Den Haag?) een melksalon, waar zij in de zomer ook ijs verkochten. De kinderen van het gezin, twee meisjes en drie zoons, moesten uit school meteen naar huis om te helpen met ijs maken en dat duurde vaak tot laat in de avond. 
 
14 Hendrikje Staal en Herman van Ommen en nakomelingen.
De trouwfoto van Hendrikje Staal (1868) en Herman van Ommen (1862). Zijn zijn op 27 oktober 1887 in Zwollerkerspel getrouwd en hebben onder andere aan de Dahliaweg 9 te Westenholte gewoond. Herman was spoorwegarbeider en Hendrikje werkte thuis. Het echtpaar kreeg 9 kinderen, Willemina, Gerrit Jan, Christina, Jan, Aaltje, Herman, Hendrik, Kornelis en een levenloos geboren kind.




De trouwfoto van de oudste dochter van Hendrikje Staal en Herman van Ommen, Willemina van Ommen. Deze trouwde op 11 augustus 1910 met Wiecher Bastiaan (1878) in Westenholte (Zwollerkerspel). Dit echtpaar kreeg in ieder geval een dochter, genaamd Hendrikje Bastiaan (1911). Wiecher werkte als wegwachter bij het Kamperlijntje van de NS en was daarbij onder andere uitgerust met een rode vlag.




Vanwege een reorganisatie bij de NS in 1927 verhuisde het gezin van Willemina van Ommen en Wiecher Bastiaan, onder andere naar Nieuwerkerk aan de IJssel. Omdat zij last van heimwee had, kwam Hendrikje Bastiaan heel vaak bij haar oma, Hendrikje Staal logeren. Beiden staan hier op de foto voor de toenmalige woning van Hendrikje, Frankhuisweg 16 te Frankhuis. De foto dateert van 1941. In de navolgende oorlogsjaren zijn de luiken van het huis gebruikt als brandstof.




Ook deze foto is genomen voor Frankhuisweg 16 in Frankhuis. Helemaal links zit Hendrikje Staal in klederdracht. Naast haar drie kinderen, waarvan het meest rechter kind Beatrix Hoeveman, met daar rechts naast Hendrikje Bastiaan (1911). Geheel rechts op de foto zit Aaltje van Ommen (1896). Aaltje is in haar tweede huwelijk getrouwd geweest met Gerrit Hollander (1886) 
 
15 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
16 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
20   
17 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
18 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
19 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
20 Jantje Grimmius overleden bij treinongeluk
Uit de Drentsch en Asser Courant d.d. 20 juli 1920:

Hedenmorgen heeft bij Eext bij den overweg over de lijn der N.O.L.S. een zeer ernstig ongeluk plaats gehad. Hedenmorgen reed de landbouwer J. Pot uit Wildervank met zijn vrouw in een tilbury naar Assen om het zendingsfeest bij te wonen. Bij Gieten ontmoetten zij den schoenmaker P.G. Schuil uit Wildervank met diens vrouw, die per fiets naar Assen gingen. Daar de vrouw zeer vermoeid was, stelde Pot voor, dat zij in de tilbury zou gaan; zijn eigen vrouw kon de teugels wel houden. Hij zou de tocht dan per fiets maken. Zoo ging het verder. De twee mannen reden voorop, terwijl de vrouwen per tilbury achteraan kwamen. De mannen waren de spoorlijn reeds gepasseerd toen het rijtuig door den trein, van Stadskanaal komende. werd gegrepen en in stukken geslagen. Hoe het ongeluk zich precies heeft toegedragen konden we niet vernemen. Wel hoorden we dat men het zoo makke paard voor den aankomenden trein liet wachten en dat het, plotseling schrikkend, op hol sloeg en door den trein werd gegrepen, maar voor juist kunnen we dat niet aannemen.

Van andere zijde vernemen we, dat de vrouwen waarschijnlijk niet aan een trein hebben gedacht, omdat juist een andere trein was voorbijgereden. Dat was evenwel een gewone trein, die tamelijk spoedig werd gevolgd door een extra trein van Coevorden voor het zendelingenfeest. Bij het omslaan der bocht, die de weg over de rails maakt, stond het rijtuig dan plotseling voor den trein.

We hoorden ook nog, dat de mannen niet voor, maar achteraan reden, en op het laatste ogenblik nog waarschuwden door te rijden. Toen was het jammerlijk te laat.

Het ongeluk had verschrikkelijke gevolgen. De vrouw van Schuil werd bijna op slag gedood, terwijl de vrouw van Pot de rechtervoet werd afgereden en zij ernstige hoofdwonden kreeg, terwijl misschien haar dijbeen nog gebroken is. Per trein werd de gewonde naar Assen vervoerd, waar dokter Anema eerste geneeskundige hulp verleende. Hij legde een voorlopig verband en oordeelde het raadzaam de gewonde naar het ziekenhuis te Groningen te vervoeren. De chef van het station alhier stelde een extra locomotief met wagen ter beschikking om de vrouw naar Groningen te brengen.

Zoowel door de ambtenaren de maatschappij als door justitie werd een onderzoek ingesteld. Hedenmiddag vertrokken de substituut officier van Justitie mr. P. Buijs, de rechtercommissaris mr. den Beer Poortugael en de bedigde klerk mr. A. van der Sluis, voor een onderzoek ter plaatse.

Uit Groningen meldt men ons nog, dat hedennamiddag de toestand der gewonde vrouw, gezien de wijze van verwonding, wel ernstig is, maar naar omstandigheden toch redenen tot tevredenheid geeft.

Later seint men ons uit Groningen: De toestand van mejuffrouw Pot in 't Ziekenhuis is nog al zorgelijk. Hedennamiddag werden de familieleden niet toegelaten.

Ook de Venlosche courant (21 juli 1921) had een, zij het summier, bericht over het treinongeval:

Rijtuig door een trein verbrijzeld.
Bij de halte Eext nabij Assen is gistermorgen een tilburie door den trein gegrepen en verbrijzeld. Mejuffrouw Schuil uit Wildervank werd overreden en terstond gedood, mej. Pot, eveneens uit Wildervank, werd een been afgereden. 

 
21 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
10   
22
Slager Hotze Schripsema
Slager Hotze Schripsema
Met tegenzin was Hotze Schripsema (1896) in zijn geboorteplaats Schouwerzijl begonnen als arbeider bij een van de grote boerderijen in de omgeving. Binnen enkele jaren pakte hij z'n biezen en vond werk in Ezinge bij een veehandelaar. Dat interesseerde hem meer en hij wilde voor zichzelf gaan beginnen.
In Fraamklap vond hij een huis waar hij een schuurtje aan kon bouwen. Dat werd een slachtplaats.



Bij elke slacht moest zijn vrouw, Martje Japenga (1894, afbeelding links)) dan even de kop vasthouden. Het vlees werd in een korf op de fiets rondgebracht bij de grote boerderijen.

Weer wat later kon hij in Groningen komen werken bij slager Hartsema bij de Visserbrug. Deze hielp hem later bij de aankoop van een oud pandje in de Nieuwe Ebbingestraat. Boven, onder het puntdakje, woonde nog jaren een oude vrouw met een zwart mutsje. Links van de winkel was een slaapkamertje waar mijn vader in 1924 werd geboren.
Niet lang daarna vertrok het gezin tijdelijk naar een slagerij aan de Bedumerweg 27 om de nieuwbouw in de Nieuwe Ebbingestraat mogelijk te maken. Op 4 september 1928 was het nieuwe voorhuis klaar. En dat heeft in de krant (Het Noorden in Woord en Beeld van 5 oktober 1928) gestaan.

Omstreeks 1936 werd Hotze overspannen en moest hij het rustiger aan gaan doen. De slagerij werd voor vijf jaar verhuurd aan slager Luchtenburg en Hotze vertrok met zijn gezin naar een boerderijtje in Noorderhogebrug. Plotseling was hij een boer met 12 melkkoeien en wat schapen. Dit duurde maar twee jaar en Hotze wilde weer naar zijn slagerij. Maar die was nog drie jaar verhuurd. Om die jaren te overbruggen huurde hij tijdelijk een slagerij aan de Nieuweweg en hield een boeldag om het boerderijtje snel te verkopen. Er zaten al twee andere slagerijen aan de Nieuweweg en dit bracht Hotze ertoe nogal levendig te adverteren in de plaatselijke krant:

Hou dut kerel 't er veur!
en
De balken kraken!

Zo verwierf hij veel klanten uit "Plan Oost". Binnen korte tijd had hij Luchtenburg overtuigd om wat eerder te vertrekken - er stond vier huizen verderop een slagerij leeg - en zo kon Opa ook weer wat eerder terug in zijn eigen slagerij. Omdat er nu in de Nieuwe Ebbingestraat wel acht slagerijen waren bleef het nodig om veel te adverteren, bijvoorbeeld:

Nieuwsblad van het Noorden, 16-3-1939
De voordelige slager
In vet en mager
REUZEL per 5 pond 27 ct. ...
KOPPEN EN POOTEN 10 ct. per pond ...
VETTE BLOEDWORST 15 ct. per pond ...
8 DROGE METWORSTEN voor 1 Gld. ...
en onze alom bekende prima, prima kwaliteiten RUNDVLEESCH tegen ongekend lage prijzen.
Zendt uw bode en wij zullen zorgen dat U tevreden is.
Van Kleinzoon af tot grootpapa,
Zij eten Worst van Schripsema
Van ouds bekend. Alleen naast De Gruyter.


Op de foto,volgens het bijschrift, geheel links Derk Senneker (vermoedelijk Dirk Senneker 03-01-1908), de koe wordt vastgehouden door Hotze Schripsema (1896). In het portiek, op de arm bij de dienstmeid; Alida Schripsema. Fotodatum 1924

(tekst overgenomen van Hans Schripsema http://www.schripsema.nl) 
 
23 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
24 Levend
Tenminste één, nog levende, persoon is verbonden aan dit item - detailgegevens worden niet weergegeven. 
 
25 VAN OVEN, JOSHUA
English surgeon and communal worker; born in England 1766; died in Liverpool 1838; son of Abraham Van Oven. He was trained for the medical profession, being a pupil of Sir William Blizard. On receiving the degree of L.R.C.S. (1784) he established himself in London as a surgeon and apothecary, acquiring an extensive practise among the Jewish residents. Through unfortunate speculations he in 1830 found himself in monetary difficulties, and then removed to Liverpool, where he continued to reside till his death. Van Oven was one of the most prominent workers in the Jewish community of his day, and was chiefly instrumental in establishing the Jews' Free School, the presidency of which he held for many years. His active participation was evinced in the weekly sermons he delivered to the pupils. He will, however, be chiefly remembered for his zeal in establishing the Jews' Hospital in Mile End. There was at that time no institution for teaching handicrafts to Jewish lads; and its want was keenly felt and commented on. Van Oven therefore conceived the plan of erecting houses of industry and education, together with hospitals for the sick, whose maintenance was to be provided for by annual contributions from the sum paid according to the general poor-rates by Jewish householders. Opposition being shown to part of this plan, he was induced to modify it; and instead of several hospitals the Jews' Hospital in Mile End was erected from funds previously collected from the community. Joshua Van Oven. Van Oven acted as honorary medical officer to the poor of the Great Synagogue, London, until his removal to Liverpool. In the latter city he took a prominent part in communal affairs, established schools and charitable organizations, and delivered in the synagogue sermons in the vernacularat that time a novel proceeding. Van Oven was a Hebrew scholarperhaps one of the best of his dayand a voluminous writer, contributing articles on Jewish and medical subjects to the "European Magazine" and the "Liverpool Medical Gazette." He wrote also: "Letters on the Present State of the Jewish Poor in the Metropolis," London, 1802; a preface to "The Form of Daily Prayers," ib. 1822; and "A Manual of Judaism," ib. 1835. Bibliography:Picciotto, Sketches of Anglo-Jewish History, passim; European Magazine, 1815; Brit. Mus. Cat. s.v. Bron; http://www.jewishencyclopedia.com 
 
26 Wouter van Ommen ter dood veroordeeld
Wouter van Ommen werd geboren in Eemnes op 24 oktober 1818 als zoon van Evert van Ommen en Petronella Suijk. Op 12 februari 1841 treedt hij in Baarn in het huwelijk met Johanna Katrina van Kesteren uit Doorn. Bij het huwelijk is vader Evert van Ommen afwezig. Er moet een verklaring van het kantongerecht in Amersfoort aan te pas komen om te bewijzen dat Evert de vader van Wouter is. Wat zou er met hem aan de hand kunnen zijn? Met de noorderzon vertrokken?

Wouter van Ommen was timmermansknecht bij H. van der Woerd en woonde bij Groeneveld, in het zogenaamde Hooge Bosch, eigendom van baron Van Heemstra. In de vroege ochtend van zondag 22 oktober 1865 besloot Wouter het bos in te gaan om hazen te gaan schieten. Toestemming om te jagen had hij niet, maar dat weerhield hem niet. Hij nam zijn met hagel geladen nloops geweer mee. Met het geweer in zijn linker hand, zijn rechterhand op de trekker van het geweer, trok hij door het bos. Rond een uur of zes verscheen onbezoldigd rijksveldwachter Arie Jansen vanachter een beukenboom te voorschijn. Jansen was daar op surveillance. Wouter van Ommen, slechts tien passen verwijderd van de diender, schrok, richtte het geweer op de agent en haalde de trekker over. Arie Jansen kon zich nog net wegdraaien waardoor hij niet in de borst, maar in zijn rechter hand geraakt werd. Wouter snelde op de agent af en sloeg hem zo hard met de kolf van het geweer, dat de kolf van het geweer afvloog. Jansen kon zijn arm niet meer gebruiken, maar zag kans om Van Ommen om de middel te grijpen. Van Ommen schudde Jansen van zich af en sloeg hem nogmaals met het geweer. Jansen viel op zijn buik op de grond, Van Ommen bovenop hem liggende. Wouter van Ommen stak en sneed Jansen daarop in zijn hals. Jansen kermde het uit en riep: 'Van Ommen, maak mij toch niet ongelukkig, denk om mijn vrouw en kinderen!'. 'Nee! Kapot moet je', riep Van Ommen, terwijl hij door bleef mishandelen. Jansen zag kans om de linker pols van Van Ommen te grijpen, beet hem in de vinger en schreeuwde om hulp. De heren W. de Ridder en G. Mol, die toevallig in de buurt waren, hoorden het hulpgeroep en snelden op het geluid af. Wouter van Ommen koos daarop eieren voor zijn geld en vluchtte in de richting van zijn woning.





Diezelfde ochtend wordt Wouter van Ommen in Hilversum aangehouden. Hij ontkende dat hij met de zaak te maken had. Volgens Van Ommen was hij helemaal niet op die plek geweest. Hij verklaarde dat hij al vroeg in de ochtend naar Hilversum vertrokken was en daarom kon hij niets met het voorval te maken hebben gehad. Verschillende getuigen verklaarden echter dat hij pas om half zeven naar Hilversum vertrok, na het voorval dus. Hij had zelfs de tijd om zich nog om te kleden. Bovendien verraadde zijn bloedende linker wijsvinger hem. Precies op de plek waar Jansen verklaard had Van Ommen gebeten te hebben, had Van Ommen een verse wond. Het geweer werd niet meer gevonden. Verschillende personen konden echter vertellen dat hij een eenloops geweer in bezit heeft gehad, wat Wouter zelf ook toegaf. Hij kon geen verklaring geven waarom het geweer nu verdwenen is.

Op 30 januari 1866 moet Wouter van Ommen terecht staan voor het provinciaals gerechtshof. Hij blijft, ondanks het overtuigende bewijs, hardnekkig ontkennen. Op 7 februari daaropvolgend volgt de uitspraak: Wouter wordt schuldig verklaard aan poging tot moord op Veldwachter Arie Jansen. Het Hof veroordeelt hem tot de straffe des doods, uit te voeren binnen Utrecht. Besloten werd om in cassatie te gaan. Zo werd de zaak doorverwezen naar het Hof in Amsterdam die de wet van 29 juni 1854 toepaste en Van Ommen tot 15 jaar tuchthuis veroordeelde. Zowel de beklaagde als de procureur-generaal gingen daarop weer in cassatie waarop de Hoge Raad hem weer ter dood veroordeelde.

Wouter van Ommen, die tot dan toe alles had ontkend, bekende nu alles. Na zijn bekentenis diende hij een verzoekschrift tot gratie in bij Z.M. koning Willem III. Dat verzoek werd gesteund door zijn echtgenote, zijn zoon Cornelis (1842-1893) en zijn vroegere werkgever H. van der Woerd. Zelfs het slachtoffer Arie Jansen, die de moordaanslag overleefde, steunde het verzoek. Op 23 januari 1867 kwam het verlossende woord. Z.M. koning Willem III verleende gratie en de doodstraf werd omgezet in 20 jaar tuchthuis. Op 14 februari van dat jaar werd hij ingeschreven in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden waar hij van 1867 tot 1872 werkzaam is als spinner en kaarder. Van 1872 tot 1885 gaat hij weer aan de gang als timmerman, tot hij op 28 maart 1885 weer ontslagen wordt uit de gevangenis.




Echtgenote Johanna Katrina van Kesteren leeft dan inmiddels al niet meer. Zij stierf op 14 januari 1871 in Baarn. Aangifte van dit overlijden werd gedaan door zoon Cornelis van Ommen. Zoon Cornelis zelf stierf op 7 mei 1893 en vier maanden later, op 28-9-1893, stierf ook Wouter van Ommen. Hij werd begraven op de oude algemene begraafplaats in Baarn.

Tekst en krantenknipsels afkomstig van www.groenegraf.nl